Henk Hage

portrettenproject Long Stay TBS

Zichtbaar maken

CMi 2, 14VII/18XI15

CMi 2, 14VII/18XI15 (onvoltooid)

Vorige week opnames voor Kunstuur (ik bericht t.z.t. de uitzenddatum). Voor het oog van de camera verprutste ik het portret Cmi 2 van 14 juli. Destijds stopte ik na een paar penseelstreken met het idee beter kan het niet worden. Nu, vier maanden later, in gezelschap van andere portretten, vond ik het toch te oppervlakkig. Daarom het portret opnieuw onder handen genomen. Ook een derde portret van CMi begonnen.

Eerst een interview voor de wand met portretten. Daarna aan het werk, CMi installeerde zich en ik …

… doorgaans gaat het vanzelf; we kletsen wat, ondertussen pak ik de kleuren die ik ga gebruiken. Meestal zonder daarbij te denken. Of het kwam door de snelle omschakeling van het interview, of louter door de aanwezigheid van een opname team, ik betrapte mezelf erop dat ik ging zitten bedenken welke kleuren ik zou pakken. Dacht terug aan de eerste sessie met CMi, zijn opgeruimde karakter en mijn keus voor geel, lichtblauw en roze. Mijn belangrijkste instrument, intuïtief te werk gaan, liet me even in de steek. Gelukkig merkte ik het en liet veel van de gekozen kleuren ongebruikt.

Als je op een schilderij dat je eerder goedkeurde verder werkt, kun je het beste alles maar zo snel mogelijk weg schilderen. Kill your darlings! Frank Auerbach, de door mij gewaardeerde schilder, zegt het ongeveer zo:

Een slecht schilderij overschilderen, levert nooit een goed schilderij op. Als je een goed schilderij overschildert, dan heb je kans dat het beter wordt.

Dus dat verprutsen is een noodzakelijk fase waar je doorheen moet werken. Dat ik het desondanks hier laat zien, is omdat ik iets wil vertellen over het derde portret van CMi. In het interview werd me gevraagd wanneer ik het meest tevreden ben. Na even aarzelen: “Soms overkomt het me dat ik, zonder te kijken, in een fractie van een seconde, met één penseelstreek iets tref, dat zó raak is… dat kan zelfs aan het begin van een sessie zijn, als je iemand nog maar net voor het eerst gezien hebt… het is iets wonderlijks, alsof het buiten je om gebeurt”.

Terwijl ik aan CMi 2 zat te werken, met violet op een brede kwast, zet ik op het lege paneeltje dat op een ezel naast me klaar staat, in één beweging een doorgaande streek. Kijkend naar het model zie ik niet wat ik doe. Verbaasd en verrast zie ik de vierkantige vorm. Klopt helemaal met het hoofd van het model. Wat kan ik hier nog aan toevoegen? Welnu, dat is het blauwe lijntje, ook in één beweging gezet, de plaats en richting van de ogen markerend.

CMi 3, 18XI15

CMi 3, 18XI15

De violette verf verdund met veel terpentijn, droogt vrij snel, zodat je door kunt met een tweede laag. In dit geval is de verf zo dun, dat die begint te druipen voordat die droog is. Juist daardoor zie ik dat het gezicht van CMi, de opgeruimde man, heel veel ‘huilends’ heeft. De druipende violette verf maakt voor mij dat huilen bij hem zichtbaar. Het violet, complementair van het geel van de eerdere versies van de portretten van CMi, die zijn zonnige kant lieten zien.

Overigens, CMi is de afkorting van Canis Minor, het sterrenbeeld Kleine Hond.

 

Model Aqr,  schilderde ik ook al eerder en schreef erover bij een beweeglijk model en de violette man.  Zijn wisselende stemmingen vragen om nog meer portretten.  Gisteren kwam hij voor zijn derde portret.

Aqr 3, 24XI15

Aqr 3, 24XI15

Hoewel het bijna een half jaar geleden is dat ik hem schilderde, de karakteristieke trekken van zijn gelaat zijn mij direct vertrouwd. Ook bij hem is het alsof er geen maanden verstreken zijn. De boosheid van de violette man is er zo gauw hij voor me gaat zitten. Op mijn vraag of hij de tijd sinds de vorige sessie steeds boos is geweest:

“Nee hoor, ik ga gewoon verder waar we gebleven waren”.

Opmerkelijk is dat hij zijn violette portret, Aqr 2 9/23VI15, het enige goede voor de tentoonstelling vindt.

“Dat is tenminste geabstraheerd. Wat je daar ziet, zo is mijn karakter!”. 

Aqr is zelf abstract expressionist, zegt hij. Nu zijn portret nog…

 

Hieronder het beloofde vervolg van Tuc 5. Aan dit portret werkte ik voor de derde keer.

Tuc 5, 19X/23XI15

Tuc 5, 19X/23XI15

Zonder dat ik aandacht gaf aan de ogen, heeft dit schilderij van Tuc wel zijn blik gekregen. Tussen de ogen en laag op het voorhoofd zit veel verf, daarin gebeurt van alles. Dat is aangezet door de dikke veeg in de eerste versie Tuc 5, 19X15. Als je zo’n richel verf laat zitten en verder werkt, dan blijft daar nieuwe verf achter hangen. Terwijl ik daar weer aan zat te werken en er nog meer verf zich daar ophoopte, zie ik dat Tuc met gesloten ogen zit, in meditatie. Als ik later vraag of hij de plekken in zijn lichaam aan kan wijzen waarin zijn meditatie zich concentreert, dan wijst hij als eerste  op de plek tussen zijn ogen:

“Hier, de voorhoofd-chakra”.

 

24 november 2015, atelier in de schemering

24 november 2015, atelier in de schemering

Zonder oordeel

Cas 2, 9XI15

Cas 2, 9XI15

Vorige week te gast op het InScience filmfestval; in een panelgesprek na de film Mugshot (documentaire over het gebruik in de VS om politiefoto’s openbaar te maken), vraag uit het publiek:

“Waarom schilder je juist deze mensen? Is er eigenlijk wel een verschil met mensen waar niks mee aan de hand is?”

Mijn antwoord, dat ik uitgenodigd ben om het te doen en vertel over de missie van het project, was voor de vragensteller niet voldoende. Hij vroeg door, wilde van me horen of het voor míj verschil maakt. Ik begon toen over de bijzondere openhartigheid van de meeste modellen, doordat ze eens kunnen praten met ‘iemand van buiten’, iemand die ze niet beoordeelt, enz… Achteraf bedacht ik pas, dat ik gewoon had moeten antwoorden “nee, natuurlijk maakt het niet uit”. Punt: missie bereikt.

Cas, het model van het portret hierboven, kwam eergisteren voor het eerst. Een uurtje maar. Cas, een heel smal gezicht, mager en knokig. Heerlijk om te schilderen, die knokige vormen kun je direct in de beweging van penseelstreken neerzetten; zijn diepe oogkassen, hoe hij loerend door zijn samengeknepen ogen naar mij keek.

Cas 1, 9XI15, detail

Cas 1, 9XI15, detail

Al heel snel had ik het gevoel dat het schilderij me aankeek. De ogen in Cas 1 keken me aan, precies zoals de man zelf dat deed. Schilderij opzij gezet, gewerkt aan Cas 2. Ook daar verscheen het karakter snel, maar het werd een karikatuur. Dat wil ik beslist niet. Daarom ingreep met een spatel, de verf gedeeltelijk wegschrapen. De vormen smeer je daarmee in elkaar. Het middendeel van het gezicht bleef onaangetast… kijken… wat heb ik teweeg gebracht…

“Ik geloof dat het al klaar is. Kom maar eens kijken”.

“Ja, goed zeg, het lijkt precies op me!”

Ook het voor mij nog niet voltooide Cas 1 beviel hem helemaal. Toch neem ik de beslissing ‘andere keer verder’. Ik kijk er dan met frisse ogen naar. Kan best zijn dat ik het wel zo laat. Voorlopig laten rusten dus. Voldaan, twee portretjes binnen een uur overkomt me niet vaak.

Later begon er wel iets te knagen. Cas 2 is een mooi schilderijtje. Maar, laat het ‘buiten’ aan iemand zien, grote kans dat je de reactie krijgt: ‘Ja ja, je kunt wel zien dat er met die man iets aan de hand is ‘. Dat oordeel willen we toch juist niet, we hebben toch een missie… het menselijke weergeven… knaag… knaag…

Weer een dag verder, het knagen is over. Het schilderijtje is klaar. Waar het voor mij alleen maar om gaat, is dat ik goede schilderijen maak. Dat is het enige waarover ik oordeel. Niet afhankelijk van wat anderen vinden of misschien zullen vinden. Het model beslist niet of het portret goed is, maar de schilder. Mij evenmin laten leiden door verwachtingen van de moeder van het model, of de mogelijke reacties van ‘buiten’.

 

Zo snel als het ging bij Cas, zo moeizaam is het portretteren van Dor. Een grote man met een heel groot hoofd. Te groot voor op zo’n klein schilderijtje. Dus een deel van het  silhouet, bepalend voor de vorm, mis ik. Het grote volume heeft bijna geen geledingen. Hieronder het portret na drie middagen ploeteren.

Dor 1, 6X/2XI15

Dor 1, 6X/2XI15

Terwijl ik, na de derde sessie, mijn materiaal aan het opruimen was, kwam Dor met een cadeautje. Hij had appelmoes gemaakt, met rozijnen. Overvloedig, groot als hij is. Lekker, was het. Ik vroeg wat voor appels hij had gebruikt.

“Goudreinetten”.

Toen pas zag ik hoe ik hem geschilderd had als een grote rode goudreinet. Dor is een buitenmens, rode blos op de wangen van het dagelijks werken in de tuin. De titel van het portret, Dor, de door het model toevallig uitgekozen naam van het sterrenbeeld: Dorade, Goudvis. Ook die klopt wonderwel. Deze grote man zit al zevenendertig jaar vast.

 

Tot slot het al eerder getoonde portret Tuc 5. Omdat ik vijf portretten van hem voorlopig wel genoeg vind, begon ik niet aan een nieuwe, blijf ik aan dit schilderij verder werken.  Bij de vorige sessie verscheen het verschil tussen de twee ogen. Nu is dat bijna verdwenen, het schilderijtje wordt kleurig en geboetseerd door de verschillende lagen verf. Ik werk er aan door.

Tuc 5, 19X/2XI15, onvoltooid

Tuc 5, 19X/2XI15, onvoltooid

Wordt vervolgd.

 

Bewaakte ogenblikken

Com 3, 27X15

Com 3, 27X15

Com, ik schilderde hem op 20 juli:

“Wanneer gaan we verder met de portretten?”

Na het schrijven van “Henk, mag ik er uit?”, waarin ik Com beschrijf als een in zichzelf opgesloten man,  beschouwde ik de portretten als voltooid:

“Ik vind dat ze klaar zijn, maar zal ik aan een derde portret beginnen?”

Sinds de eerste sessie is er een merkbare band tussen ons. De laatste weken klinkt er als hij mij ziet zelfs een luid uitgesproken “Henkie!!!”  Ik verwacht dan ook meer toegang tot hem te krijgen dan de vorige keer. Als Com gaat zitten neemt hij echt een pose aan. Ik heb dat liever niet, geef de voorkeur aan een meer levendige houding. Ondanks mijn aansporingen om niet ‘bevroren’ te blijven zitten, doet hij zijn best om dat wel te doen. Gelukkig houdt hij het niet vol, wordt steeds afgeleid door wat hij door het raam buiten ziet gebeuren. Daartoe moet hij zijn hoofd een beetje draaien. Zo krijg ik afwisselend twee houdingen te zien. De poserende Com en de naar buiten kijkende.

Als ik de portretten van het begin van het project met die van nu vergelijk, is er een verschil in aanpak en aandacht. Ik werk er langer aan, zelden zijn ze na één sessie klaar; en, ik heb het idee dat ik meer aandacht voor de ogen heb. Dus dat  afwisselende naar buiten en naar binnen kijken van Com bevalt me wel. Alhoewel, naar binnen kijken zie ik niet bij hem. Het is meer staren. Een soort niet kijken. Het herinnert me aan wat hij de vorige keer zei:

“Ik heb helemaal niks meegemaakt. Ik zit al vijfendertig jaar vast”.

Zou het werkelijk zo zijn? Of is hij niet in staat om naar binnen te kijken? Ik kan me voorstellen dat hij het liever niet doet, naar binnen kijken is toch vaak terug kijken.

 

Het portret For 2 hieronder, het model waarvan in het vorige blogbericht For 3 te zien was, vertelt een heel ander verhaal. Het heeft geen ogen, geen gelaat. Is hier eigenlijk wel iemand te zien? Is het een portret van een mens?

For 2, 30VI/19X15

For 2, 30VI/19X15

For, het gezellig kletsende model van een week terug, had toen ook iets explosiefs, was bij deze sessie zwaar depressief. De begeleider in de werkplaats, waar ik For ophaalde, meende dat individuele aandacht misschien wel goed zou kunnen werken. Waarschuwde me om niet in het negatieve mee te gaan. Ik hernam portret For 2. Er aan werkend was er nauwelijks oogcontact mogelijk. Af en toe riep ik ‘ben je er nog?’ Dan ging het weer even. Uiteindelijk verscheen er een portret van een depressief mens. Samen er naar kijkend, besloot ik:

“Dit kan ik je niet aan doen, ik schraap alles eraf.”

Terwijl het model toekeek schraapte ik met een beweging alle verf eraf, naar boven. Over de bovenkant van het schilderij stulpt de verf een beetje over de rand heen. Daar is nog een spoor van het gebruikte rood zichtbaar.

For 2, 30VI/19X15, detail

For 2, 30VI/19X15 op de ezel, detail met over de bovenrand stulpende verf

Dit gebaar, het portret van zichtbare depressie verlossen, is een gebaar van compassie. Zeker als het model er naast staat en er naar kijkt. Ik doe dat om het schilderij van een stemming te bevrijden, niet om met het resultaat iets zichtbaar te maken. Maar, als ik een paar dagen later het schilderij terug zie, dan zie ik een portret van een depressie. Een portret zonder naar buiten gerichte zintuigen. In het reliëf, onder de afgeschraapte verf, is nog vaag de omtrek van een oog te zien. Een oog dat niets meer ziet dan zichzelf.

 

Tot slot een portret van Tuc, inmiddels het vijfde van hem.

Tuc 5, 19X15

Tuc 5, 19X15

Na een hele ochtend intensief werken constateer ik, dat het voor de tweede keer is dat ik hem nadrukkelijk met één oog dicht en één oog open geschilderd heb. Door de veeg vanuit de ooghoek keek dat ene open oog ook nog eens scheel. Met een paar kleine streekjes en vlekjes loste ik dat op. Ik besprak dit met Tuc. Hij vertelde toen dat zijn rechteroog niet meer kan bewegen, de oogspieren zijn verlamd. Kijkend en schilderend komt zo een trauma aan het licht.

 

Bij alle drie besproken modellen werk ik nu aan meer dan twee portretten. De toestroom van nieuwe modellen gaat wat langzamer dan in het begin. Vandaar dat ik bezig ben meer portretten te maken van een aantal mensen. Op de atelierfoto van 27 oktober is te zien dat ik die daar bij heb gehangen. Wie de foto aandachtig vergelijkt met die van twee weken eerder, zal zien dat er ineens heel wat meer portretten hangen.

27 oktober 2015

27 oktober 2015

 

 

 

 

 

 

 

© 2017 Henk Hage

Up ↑