Henk Hage

portrettenproject Long Stay TBS

Herkenbaarheid en abstractie

Als Francis Bacon portretten schilderde, moest hij daar de geportretteerde nooit bij hebben. Hij vond de confrontatie van zijn getormenteerde portretten voor zijn modellen te pijnlijk.

Mus 1, 29VI15

Mus 1, 29VI15

 

Mus 1, van twee weken geleden, deed me aan het werk van Bacon denken. Ik maakte me dan ook zorgen over de reactie die het bij mijn model zou oproepen. Daags na het portretteren vroeg ik hem ernaar, of hij geen probleem had met het ‘verknipte’ van zijn portret.

“Welnee, helemaal niet. De werkelijkheid is nog veel erger”.

Zijn antwoord geeft natuurlijk te denken over zijn gemoedstoestand, hetgeen me door de gesprekken tijdens de sessie niet verbaasde. Moedig dat hij in deze spiegel durft te kijken.

Veel modellen zien zich graag herkenbaar en liefst mooi, terug in het portret. Dat maakt het schilderen voor mij lastig. De opdracht is immers dat de geportretteerden niet herkenbaar mogen zijn. Juist dit is voor mij de uitdaging van het project. “Voor herkenbare portretten moet je niet bij mij zijn”, stelde ik bondig, als het ter sprake kwam. Alsof er een scherpe grens te trekken is tussen wel en niet herkenbaar.

CMi 1, 14VII15 (onvoltooid)

CMi 1, 14VII15 (onvoltooid)

CMi 2, 14VII15

CMi 2, 14VII15

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze twee nog niet voltooide portretten van CMi, zitten beide in het brede grensgebied tussen wel en niet herkenbaar. In CMi 1 heb ik gewerkt aan de uiterlijke kenmerken als de vormen in het gelaat, de oren, het haar. Cmi 2 zit nog dicht bij hoe die was na de eerste penseelstreken. Het overkomt me regelmatig dat ik na een paar penseelstreken, in twee of drie kleuren, het idee heb ‘beter kan het niet worden’. Dat was bij Cmi  ook het geval. Zelfs de eerste robuuste rode streken, met een brede kwast van onder naar boven gezet, waren al bijna genoeg. Vandaar dat ik dat in beide portretten gedaan heb. Bij Cmi 2 heb ik het robuuste vol kunnen houden, juist omdat ik constateerde dat er in CMi 1 door de detaillering iets verloren was gegaan. De manier waarop de blauwe vlekjes van de ogen erin staan bevalt me. Het rechteroog, met een dotje verf precies goed op het bovenste ooglid. Zoiets ontstaat. De mond zit wat dit betreft op het randje, de rand tussen iets wat ontstaan is en iets wat gemaakt is. Het rechtse oor, dat heb ik echt zitten schilderen, lijkt daardoor veel op het oor in CMi 1. Ik ben gestopt in deze fase, om niet teveel in dat ‘maken’ te komen. Bovendien, als ik de twee portretten vergelijk, dan heeft CMi 2 ook mijn voorkeur, omdat het de karakteristiek van het model beter treft. Zelf ziet hij liever CMi 1, ondanks de geringe uiterlijke gelijkenis.

Het is nogal logisch dat de geportretteerde naar herkenbaarheid in het portret zoekt, in eerste instantie uiterlijke herkenning. Toch is het me regelmatig overkomen dat de herkenning verder gaat. Zo vertelde een vriend, jaren nadat ik zijn portret geschilderd had: “Toen het portret klaar was, zag ik iets van mijzelf, dat ik nog nooit buiten me had gezien”. Dit is iets dat ons overkomen is, het model en de schilder. Het zou hoogmoedig zijn als ik simpelweg beweer het innerlijk te schilderen en niet het uiterlijk. Dat kan ons overkomen als ik me tijdens het schilderen aan de ene kant, met alle zintuigen, open stel voor de ontmoeting met de persoon die ik schilder. Aan de andere kant moet ik me zo veel mogelijk open stellen voor wat mij tijdens het schilderen toevalt.  Daartoe moet ik oog hebben voor de abstracte kwaliteiten van het schilderij. Oog hebben voor wat er in de verf, de streek, de kleur en de gelaagdheid zich aandient.

14 juli 2015

14 juli 2015

Grote woorden en meer verf

Ant 2, 6VII15

Ant 2, 6VII15

“Al vijfendertig jaar zit ik vast Henk. En weet je hoe ik het vol houd? Alleen dankzij hulp van God”.

Veel zon is er in Ant.  Als ik denk aan hoe lang hij al achter de tralies zit, is het een wonder hoe positief hij is. Het goud-groen, de eerste kleur die ik in een ronde beweging schilder, laat ik misschien wel zo; ik weet nog niet of het portret af is.  Zijn donkere huidskleur maakt het schilderen lastig. Terwijl ik ploeter met kleurkeuze en verf, is er veel licht en lucht in het gesprek (de titel van het portret – Ant –  is de afkorting van het sterrenbeeld Antlia: luchtpomp). Het gesprek gaat over schilderen; Ant heeft veel geschilderd en vertelt daarover:

“Henk, weet je wat je moet hebben voor het schilderen? … Geduld. En, je moet niet nadenken…”

Zeer herkenbaar voor mij en ik voeg er aan toe: “Ja, en wat je ook moet hebben, is een plan. En dat plan moet je vergeten. Niet aan denken terwijl je werkt”. Hij is het er helemaal mee eens.

Het gesprek gaat over lijden, medelijden. En over God:

“Weet je Henk, dat God tussen de mensen is? … Als twee mensen elkaar echt ontmoeten, dan is God daartussen”.

“Je kunt wensen, dat dat ook zo is als iemand naar de portretten kijkt”.

“Ja, dat is zeker zo”.

Deze door Ant zonder schroom uitgesproken woorden doen me denken aan de slotwoorden in mijn zelfportrettenboek Onbewaakte ogenblikken (2006):

… in de ontmoeting van beschouwer en de personen die in mijn portretten te zien zijn, in de ontmoeting van die twee… of misschien wel drie, want de hand en dus de persoon van de schilder is ook nadrukkelijk aanwezig… waar er meer tesamen zijn in Zijn naam… is daar Hij? Dit durf ik slechts beschroomd en stamelend te vragen, doch stellig is dat mijn innigste wens.

Het is niet de eerste keer, bij de portretsessies in dit project, dat ik herinnerd word aan wat ik eerder schreef. Op het moment van schrijven meestal met voorzichtigheid geformuleerd. Bang voor te grote woorden. Ik moet het immers als schilder waar maken. Het is alsof mijn plan, jaren geleden geformuleerd, alweer vergeten nu, zich in het schilderen ontwikkelt. Ook dit schrijf ik met schroom op… ik kan beter wat schilderijen laten zien. Portretten van de laatste twee weken, waarin te zien is dat ik met meer verf werk. Meer verf betekent minder controle.

 

Ori 2, 2/30 VI 15 detail

Ori 2, 2/30 VI 15, detail

 

Mus 2, 29VI15 detail (onvoltooid)

Mus 2, 29VI15, detail (onvoltooid)

 

Mus 2, 29VI/7VII15 detail

Mus 2, 29VI/7VII15 detail

 

Portret Car 2, 7VII15, hieronder, is waarschijnlijk nog niet klaar. Het model wil het zelf pas zien als het helemaal af is. Daarom laat ik maar een klein stukje zien. Car, een oude broze man, bij binnenkomst: “Ik kan niet lang stilzitten hoor. Hoe lang duurt het? Ik houd het niet lang vol hoor”. Mijn antwoord dat het helemaal van hem af hangt hoe lang we werken, stelt hem gerust.  Hij zit stil. Hij zit lang stil, de sessie duurt uiteindelijk twee uur. Twee uur van geconcentreerd werken aan twee portretten. Af en toe wapper ik even met een hand voor zijn ogen: “Ik wil wel leven in je gezicht zien”. Ook Car is duidelijk een religieus man.

“De Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij wijst mij te liggen in grazige weiden…”

begint hij luid reciterend te bidden. Onderwijl zit ik loerend naar zijn gezicht te schilderen en zie dat zich daar iets wonderlijks voltrekt. Dat bleke broze gelaat krijgt kleur en leven. Het portret is nog niet klaar… want dát zie ik hier nog niet.

Car 2, 7VII15, detail, onvoltooid

Car 2, 7VII15, detail ( onvoltooid)

 

7 juli 2015

7 juli 2015

 

 

 

© 2017 Henk Hage

Up ↑